[cuteslider id="1"]

Geschiedenis van d’ Ouden Molen

Geschiedenis van de wind- en stoomkorenmolen ‘De Rijzende Zon’ en diens voorganger aan de Madeliefstraat 1 in Nieuw Vennep.

Het begon in het jaar 1857

De geschiedenis van deze locatie is bijna zo oud als die van de gemeente Haarlemmermeer. De fundering is in 1857 gelegd en is de drager geweest van twee windkorenmolens. De stenen onderbouw dateert deels uit 1858 en deels uit 1885. In 1935 is de molen tot op de huidige hoogte afgebroken.

Simon van Spengen 1855 

In 1855 koopt Simon van Spengen op een openbare veiling van domein-gronden in Amsterdam twintig bunder bouwland in het zuidoostelijk deel van Nieuw Vennep. Op de verkavelingskaart van de Haarlemmermeer van 1855 is het perceel aangeduid met het nummer PP2.Het land is gelegen aan de Hoofdweg en grenst in het noorden aan de dorpsgrond. Deze dorpsgrond is een deel van polderkavel PP1 en bestemd voor de bouw van Venneperdorp. Ten oosten grenst het land aan de Kagertocht.

Van Spengen is koopman en woont in Noord-Waddinxveen. Hij laat op de kavel twee huizen bouwen waaronder een voor zichzelf. In juni 1856 vestigt hij zich in Nieuw Vennep. Hij is 38 jaar en nog ongehuwd.

Op 28 augustus 1857 verkoopt Van Spengen zestien van de twintig bunder land aan de landbouwer Jan Tensen voor 9600 gulden. Tensen is pachter en later de eigenaar van een boerderij in de IJweg, gele-gen op polderkavel Q8.De betaling van de koopsom wordt geregeld met een bedrag van 1426,46 gulden in contanten. Voor het restant van 8173,54 gulden moet Tensen de hypotheekschuld en de daarover verschuldigde rente overnemen die Van Spengen bij heeft aan het Rijk.

Jan tensen 1857 

Zeven maanden later blijkt dat Tensen van plan is geweest een achtkantige windkorenmolen te bouwen op de kadastrale sectie N17, gelegen aan de grens met polderkavel PP3. Hij verkoopt op 20 maart 1858 aan de houthandelaar Stephanus Piek uit Oudshoorn: een perceel bouwland aan de Hoofdvaart, groot 40, 20 are met en benevens de in de grond gestelde fundering tot de opbouwing van een achtkanten windkorenmolen. Getuigen bij de transportakte zijn de metselaar Maarten van Daalen en de timmerman Wilhelmus Jacobus Voogd, beiden uit Nieuw Vennep. De koopprijs bedraagt 1120 gulden.

Stephanus Piek 1858

Op de bestaande fundering laat de houthandelaar Piek een achtkantige molen bouwen. Wanneer de molen klaar is wordt deze verhuurd aan Johannes Zonneveld, afkomstig uit Sliedrecht en op dat moment koopman in Nieuw Vennep. Op 8 oktober 1863 verkoopt Piek de molen voor 8000 gulden aan Dirk Bik.

Johannes Zonneveld  1857

In april 1857 heeft Gedeputeerde Staten van Noord-Holland de gemeente Haarlemmermeer op de hoogte gesteld van een rekest dat zij ontvangen heeft van Johannes Zonneveld uit Sliedrecht. Zonneveld vraagt daarin toestemming voor het stichten van een windkoren-molen op het perceel PP2. Na ingewonnen bericht van het gemeentebestuur d.d. 21 april nr. 559 en het daarbij overgelegde proces-verbaal wordt goedgevonden de vergunning te verlenen.Voorwaarde is dat de molen op een afstand van 50 ellen (meter) wordt geplaatst vanuit het midden van de sloot die langs de zuidzijde van de Hoofd-vaart loopt. Aan het gemeentebestuur wordt verzocht de vergunning uit te reiken.

Zonneveld vestigt zich 7 april 1857 in Nieuw Vennep met vrouw en vier kinderen. Eerst wordt als beroep koopman ingevuld en later korenmolenaar. Wanneer Zonneveld het rekest indient is Simon van Spengen de eigenaar van de grond waarop de molen nog gebouwd moet worden; er moet dus sprake zijn geweest van een gezamenlijke onderneming. Ondanks de aan Zonneveld verleende vergunning wordt niet met de bouw gestart, integendeel, want Van Spengen verkoopt in augustus 1858 een groot deel van zijn grond aan de landbouwer Jan Tensen.

Het is Tensen die de metselaar Maarten van Daalen opdracht geeft met de fundering voor een achtkantige molen te beginnen. Ook Tensen heeft te maken met Zonneveld want die is de vergunninghouder.Na zeven maanden worden de werkzaamheden stopgezet en verkoopt Tensen een perceel van 40, 20 are met de fundering voor een molen aan Stephanus Piek. Deze houthandelaar uit Oudshoorn laat de molen afbouwen en eindelijk kan Zonneveld eind 1858 met zijn vergunning aan het werk.Na drie jaar malen heeft Zonneveld andere plannen en vertrekt met zijn gezin in augustus 1861 naar Naaldwijk. Twee kinderen zijn hier jong overleden en in 1859 is nog een dochter geboren.

Dirk Bik 1863

Na het vertrek van Zonneveld in 1861 wordt de molen verhuurd aan Dirk Bik, een molenaar uit Woubrugge.Op 8 oktober 1863 koopt hij de molen voor 8000 gulden van Stephanus Piek Bik betaalt 2000 gulden en verleent Piek voor de resterende 6000 gulden recht van hypotheek op de molen. De rente bedraagt 5 % en vanaf 1867 moet Bik elk jaar minstens 500 gulden aflossen. Het restant van de schuld wordt in 1874 opeisbaar. De meelmolen heeft een oppervlakte van 80 m2 en de daarbij behorende tuin is 39, 40 are groot. Bik is hier met zijn vrouw ingeschreven op 2 oktober 1862. Zijn beroep is molenaar en hij is afkomstig uit Woubrugge.
In gemeentelijke belastingen van 1862 wordt hij aangeslagen voor dertien gulden. Hij betaalt dan net zoveel als de landbouwer Jan Tensen, de huisarts A. C. van Dorsten en de metselaar Maarten van Daalen. Pas in 1866 wordt bij de molen een huis gebouwd waar Bik en zijn vrouw gaan wonen. In de lijst van namen van gebouwen die burgemeester Amersfoordt in 1868 heeft samengesteld heeft de molen de naam “Door Gods Zegen De Gunst Verkregen”.

In 1873 stopt Bik als molenaar en koopt een woon- en winkelhuis gelegen aan de Hoofdweg naast de (oude) Gereformeerde kerk. Dat is de plek waar nu slagerij Kroes is gevestigd. Bik is dan 58 jaar en heeft geen kinderen. Het beroep van molenaar is zwaar en hij heeft al contact met een mogelijke opvolger: een molenaar uit Berk-hout, Jan Willemsz. Tensen genaamd. Op 3 juni 1873 vindt bij notaris Broekhoff in Nieuw Vennep het transport plaats van: een meelmolen met huis en erf en tuin, gelegen aan de Hoofdvaart; de molen met huis en erf is 14, 40 are groot en de tuin 25, 80 are. De nieuwe eigenaars zijn Simon Tensen, landbouwer en Jan Willemsz. Tensen, molenaar.

Jan tensen 1857

 De meelmolen, met huis, erf en tuin is op 3 juni 1873 voor 9000 gulden gekocht door een vennootschap gevormd door Simon Tensen, landbouwer maar ook broodbakker en winkelier en zijn neef Jan Willemsz. Tensen, afkomstig uit Berkhout en sinds 18 februari 1873 als korenmolenaar werkzaam in de molen. Simon Tensen is de oudste zoon van de landbouwer en wethouder Jan KLaasz. Tensen uit de IJweg, de oorspronkelijke eigenaar van de grond en de molenfundering in 1858. Simon is in 1866 een bakkerij begonnen aan de Hoofdvaart, dicht bij de molen. De bakkerij is van zijn vader en staat op diens land.Hij trouwt in datzelfde jaar met de onderwijzersdochter Susanna Margaretha Gideonse. Een paar jaar later wordt de bakkerij verhuurd aan Pieter Mooij en koopt Si-mon Tensen een woon- en winkelhuis aan de Venneperdwarsweg. Dit pand is later van de familie De Groot.

De akte van vennootschap wordt op 17 oktober 1873 door de Vennepse notaris Broekhoff opgemaakt. De beide comparanten verklaren dat zij gezamenlijk hun windkorenmolen gaan exploiteren onder de firmanaam S. en J. Tensen. De exploitatie zal bestaan in het malen van en handelen in meel en alle graansoorten. De vennootschap wordt geacht te zijn aangegaan op 1 november en voor onbepaalde tijd. Behalve de windkorenmolen met huis, erf en tuin wordt door de vennoten ieder 5000 gulden aangebracht, te storten bij het passeren van de akte. Alleen de tweede ondergetekende Jan Tensen is gerechtigd tot het tekenen van overeenkomsten voor de firma.Voor geldopnamen of hypotheken, borgstellingen, geldleningen en aan- of verkoop van roerende en onroerende goederen zijn beider handtekeningen vereist. De akte is opgemaakt ten huize van Simon Tensen.

Vier dagen later, op 21 oktober 1873 verschijnt de notaris weer bij Simon Tensen. Tensen is ziek en wil een testament maken. Hij benoemt zijn echtgenote tot erfgename van het beschikbare deel van zijn nalatenschap en tot executeur. Getuigen zijn Maarten van Daalen en Dirk Bik. Tensen is te zwak om te ondertekenen.

Simon Tensen overlijdt vervolgens op 24 oktober 1873 en laat een vrouw en vijf minderjarige kinderen achter. Hij is dan 37 jaar oud. In zijn gezin woont sinds april 1872 ook Klaas Tensen, een negentienjarige neef uit Berkhout. Vijf dagen later wordt op het gemeentehuis in Hoofddorp het huwelijk voltrokken van zijn compagnon Jan Willemsz. Tensen met Jansje Gnodde. Dit is een trieste samenloop van omstandigheden en doet vermoeden dat Simon plotseling en na een kort ziekbed is overleden.

Voor zijn overlijden heeft Simon nog een onderhandse akte getekend waarbij de vennoten verklaren “om redenen die hen daartoe bewogen hebben” de vennootschap te beëindigen. Bij de scheiding van de gemeenschappelijke bezittingen wordt de molen met gereedschappen, paarden en wagen aan Jan Willemsz. Tensen toebedeeld. De ingebrachte contanten zijn voor Simon Tensen.

Jan Willemsz. Tensen  1875

Jan Tensen zet het bedrijf nog voort tot eind oktober 1875 en vertrekt dan naar Aalsmeer waar zijn vrouw vandaan komt. Hij verkoopt de molen op 29 oktober 1875 aan Jacobus Dam Jacobuszoon, korenmolenaar te Maasdam, voor 10.500 gulden.

Jacobus Dam 1880

Jacobus Dam wordt hier met vrouw en twee kinderen ingeschreven op 1 november 1875. In 1880 krijgt Dam van het gemeentebestuur vergunning voor het in gebruik nemen van een stoommolenmachine waardoor de windkorenmolen niet al-leen van de windkracht afhankelijk is. Bij de molen wordt nu een schuur gebouwd voor de stoommachine. De molenaarswoning wordt afgebroken en zijn tweejarige zoon Arie Dam legt de eerste steen voor een nieuw huis.

In mei 1883 overlijdt zijn vrouw en blijft hij achter met zes kleine kinderen. Een drietal deskundigen waaronder de molenaar Koning uit Hoofddorp taxeren op 23 september de molen met woonhuis en machinekamer met stoom-machine.De waarde wordt gesteld op 16.500 gulden. Er zijn zakelijke vorderingen ter waarde van 1652 gulden en het roerend goed is 1522 gulden waard.Dam is geld schuldig wegens geleverde diensten aan de metselaar Maarten van Daalen, de smid Hendrik Klück, de timmerman Dirk Ruiter en de huisarts Van Dorsten.Voor de aankoop van de molen, de bouw van het woonhuis en aanschaf van een stoommachine heeft hij flinke bedragen geleend:

  • 3800 gulden van zijn moeder, weduwe van Jacobus Dam
  • 2000 gulden van zijn broer Jan, korenmolenaar te Strijen
  • 3595 gulden van Jan Aart den Hartigh, zonder beroep en wonende te Strijen
  • 8000 gulden van Cornelis de Kooningh, gemeenteontvanger in Strijen, onder verband van hypotheek op de molen.

De lening van zijn moeder is renteloos, over de andere bedragen betaalt hij 5% rente. Het saldo van de nalatenschap is 313,28 gulden.

 

De boomgaard en moestuin achter de molen worden aanleiding voor een proces-verbaal dat burgemeester Lantzendorf op 31 oktober 1883 opmaakt van een incident waarbij Dam beschuldigd wordt van dierenmishandeling. Buurman Herman Vlam verklaart dat zijn moeder, de weduwe Jacob Mantel, op haar land 9 biggen had lopen die op het land van de molenaar terecht waren gekomen. Het hek dat Dam heeft geplaatst is niet zo dicht dat de biggen er niet door kunnen. Dam heeft drie biggen zo hevig met een stok geslagen dat een big een dikke poot heeft en de andere twee een tijd lang op de grond hebben gelegen voor ze weer konden lopen. Vlam heeft zelfs een van die biggen moeten dragen. Getuigen waren de knecht van Dam en volk dat bij de landbouwer Van Staveren in de hooiberg stond. Het perceel waarop de molen staat grenst aan de rechterzijde aan de polder-kavel PP3 waar de familie Martinus van Staveren een boerderij pacht “Rawa Sarie” geheten, en aan de linkerzijde aan de boerderij van de weduwe Mantel.

Dam heeft weer geld nodig en leent op 14 mei 1884 een bedrag van 4000 gulden van Jan Aart den Hartigh uit Strijen onder verband van hypotheek op de molen.

Het jaar 1885 wordt een keerpunt in zowel het zakelijk als persoonlijk leven van Jacobus Dam. Op donderdag 13 augustus 1885 slaat tijdens een hevig onweer de bliksem in. De molenaar Dam vertelt later aan de burgemeester, die uit hoofde van zijn functie een proces-verbaal opmaakt, dat hij het onweer heeft zien aankomen en rond drie uur de molen heeft stilgezet en de zeilen gestreken. Thuis heeft hij de bui afgewacht en hoorde omstreeks kwart over drie enkele hevige onweersslagen. Na de bui is hij weer naar de molen gegaan maar zag niets bijzonders. Pas toen hij wilde gaan malen zag hij dat het luik naar de zolder, dat hij open had gelaten, dicht was gevallen. Bij het openen zag de molenaar dat de zolder een en al vuur was. Er viel niets meer te redden. De plaatselijke brandspuit die snel ter plaatse is, kan alleen nog door nathouden de molenaarswoning redden. In de molen gaat 100 mud graan en ook steenkool voor de stoommachine verloren. De molen was gelukkig wel verzekerd.

Nog in hetzelfde jaar begint Dam op de plaats van de verbrande molen met de opbouw van “De Rijzende Zon”, een achtkantige bovenkruier met stelling die hij in Wormerveer heeft gekocht. Dam is niet alleen molenaar maar ook molenbouwer en stamt uit een Zuid-Hollandse familie van molenaars. In Hoofddorp heeft hij al eerder een molen gebouwd namelijk “Hoop op Zegen”. De molen “De Rijzende Zon” was van oorsprong een papiermolen en stond aan de Zuiderzijsloot in Wormerveer. De eerste eigenaar, Dirk Blauw, werd in 1727 windrecht (maalvergunning) verleend. Tweemaal is het houten bovendeel van de molen afgebrand, in 1731 en 1746, en weer opgebouwd. Tot het jaar waarin de molen is stopgezet, 1881, is zij in bezit gebleven van de molenaarsfamilie Blauw. In 1885 wordt het houten bovenstuk, omloop, bovenromp en maalwerk gedemonteerd en naar Nieuw Vennep vervoerd.

Dam hertrouwt in december van dat jaar met de negentienjarige Catharina Vreeken, dochter van Jacob Vreeken en Lijntje Vinke. Jacob Vreeken is de bouwer en eerste eigenaar van de winkel aan de Venneperweg, een familiezaak die bestaan heeft tot in 2002.

Drie jaar later, op 5 december 1888, wordt in het koffiehuis “De Gouden Leeuw” een vrijwillige openbare veiling bij opslag gehouden van: De korenmolen, ingericht om zowel door windkracht als door stoom gedreven te worden, genaamd “De Rijzende Zon”, voorzien van vier koppelstenen, voorts de daarbij staande machinekamer waarin een stoommachine (verticale ketel) van acht paardenkracht, schuur en paardenstal, benevens het almede daarbij staande woonhuis met schuur, verder getimmerte, erven, werf en voor en achter gelegen tuingrond en bouw-land, gelegen aan de Hoofdvaartweg. bij en ten zuiden van Nieuw Ven-nep, kadastrale secties N 1590, 2201 en 2202, gezamenlijk groot 40, 20 are.

De koper is verplicht om twee paarden, twee molenaarswagens, een span-tuig, een paardentuig, twintig bilhamers, een bascule met gewichten en een dekkleed over te nemen voor een bedrag van 575 gulden.Voor het perceel wordt het hoogste bod uitgebracht door de verkoper Dam en wel de som van 12300 gulden. Dam verklaart dit bod gedaan te hebben namens Jacob den Hartigh, bouw-man, wonende te Strijen, door wie hij mondeling gemachtigd is. Op 12 december 1888 wordt het perceel geveild bij afslag en op duizend gulden gemijnd door Gerrit Jongejans Bastiaanszoon, landbouwer te Assendelft.

De koopsom bedraagt dus 13.300 gulden. Jongejans kan met ingang van 1 april 1889 het gekochte in gebruik nemen.Ten tijde van de verkoop van de windmolen heeft Dam al een andere lokatie in Nieuw Vennep op het oog voor de voortzetting van zijn bedrijf. Hij koopt in de Rustoordstraat een pand waar een maalderij met aandrijving door een stoommachine wordt gevestigd.

Gerrit Jongejans 1889

Jongejans wordt hier op 28 februari 1889 ingeschreven, hij is dan 24 jaar en pas gehuwd met Antje Schone.Eerst woont hij nog een maand op de hoek van de Hoofdweg en Bosstraat waar later Van Buijten woont. In de molenaarswoning aan de Hoofdweg wordt op 8 juni 1889 zijn eerste kind geboren.

Gerrit Jongejans sr. heeft de molen tot mei 1923 als korenmolen in bedrijf. Hij vertrekt dan met zijn vrouw naar Assendelft. De oudste zoon Maarten, van beroep graanhandelaar, is dan inmiddels ge-trouwd en blijft in het molenhuis wonen. Broer Gerrit Jongejans, molenaarsknecht, en broer Jan, tuinman, wonen bij hem in. Wanneer Gerrit trouwplannen krijgt vertrekt Maarten in 1924 naar de Venneperweg. Gerrit trouwt in 1925, stopt met het molenaarsbedrijf en gaat in de aardappelhandel.Tien jaar later, in 1935, wordt de molen vervolgens tot op stellinghoogte afge-broken.Het stenen onderstuk gaat in de loop der jaren dienen als opslagplaats voor aardappelen en later ook voor bloembollen en fruit.

In 1953 verkoopt Gerrit Jongejans jr. het molenhuis en de stenen onderbouw aan Pieter Cornelis de Ruiter

Pieter Cornelis de Ruiter  1953

Ruiter woont nog tien jaar in het molenhuis en overlijdt daar in 1963.Zes jaar later koopt de gemeente Haarlemmermeer de molenruïne en de verwilderde boomgaard van de laatste eigenaar, mevrouw H.H. de Ruiter-Kok, schoondochter van P. C. de Ruiter.In de voorafgaande onderhandelingen met de gemeente probeert zij nog of het mogelijk is dat de molen wordt herbouwd maar dat wordt onuitvoerbaar geacht.

Gemeente Haarlemmermeer 1970

In januari 1970 staan de draglines al klaar om na het voorbereidende werk aan boomgaard en aanbouwtjes ook de stenen onderbouw van de molen aan te pakken. De huurder hiervan, fruithandelaar Van den Heuvel, weet sinds veertien dagen dat de sloop gaat beginnen en dat hij zijn honderden kilo’s fruit naar een nieuwe loods aan de Venneperstraat moet brengen. Op het laatste moment wordt besloten om de sloop uit te stellen. Niet in de laatste plaats door de invloed van oud-burgemeester Van Willigen.Hij is degene die in de voorafgaande jaren de historische waarde van dit bouwwerk heeft onderkend en de herbouw voor ogen heeft gehad.

De technisch adviseur van de vereniging “De Hollandse Molen”, de heer A.J. de Koning uit Hoofddorp, komt met een ambtenaar van Openbare Werken kijken naar de mogelijkheden van restauratie van de molen. De balkconstructie en muren zijn nog in uitstekende staat, oordelen zij.Een poging tot herbouw wordt dan ondernomen met onderdelen van een molen die bij de Vicon liggen opgeslagen. De maten daarvan passen echter niet bij de achtkantige onderbouw waardoor de kosten van herbouw veel hoger worden. Dit is aanleiding voor het toenmalige ministerie van CRM om een subsidie-verzoek af te wijzen.

Voor het voortbestaan van de markante stenen onderbouw komt uit-eindelijk van de zijde van de plaatselijke eigenaar van “De Rustende Jager” een oplossing, Hans de Jong.Hij koopt in 1975 voor het symbolische bedrag van één gulden de ruïne van de gemeente.

Hans de Jong 1975

De renovatie van het onderstuk van de molen wordt in 1976 afgerond en de opening van Bar-steakhouse d’ Oude Molen vindt plaats op 14 maart van dat jaar.In 2002 wordt De Jong eigenaar van de grond rondom de molen en wordt in 2004 een nieuwe tuin aangelegd waardoor de molen veel zichtbaarder wordt. Ook is in dat jaar het dak geheel vernieuwd. Het is Sylvia Scheltus-de Jong die daar sinds 1993 werkzaam. 30 december 2008 is d’ Oude Molen overgenomen door Hans, Marcel, Sylvia de drie kinderen van Hans en Mieke de Jong. In 2009 is Bar-steakhouse d’ Oude Molen een trouwlocatie geworden, maar ook voor zakelijke activiteiten en feestelijke bijeenkomsten is d’ Oude Molen af te huren

 

 

TOP